Koos gaat naar de dierentuin

Terug

U bent hier

Naar de dierentuin

Vandaag gaan Koos, Bas en Karlijn naar de dierentuin. Met de trein, voor de allereerste keer. Ze hebben er zin in. ‘Zullen we samen de kaartjes kopen in die automaat daar?’ vraagt Koos als ze de stationshal binnenstappen. Koos wijst de toetsen aan die Bas en Karlijn op de automaat moeten indrukken. Dan stopt Koos zijn bankpas erin en de treinkaartjes rollen zo in het kaartenbakje. Dat is handig! Met hun kaartje stevig in de hand lopen ze naar het perron.

‘Daar Koos en Karlijn’, wijst Bas ‘die trein gaat naar de dierentuin. Kom mee.’ Ze stappen in de trein en zoeken een plek waar ze met zijn drieën bij elkaar kunnen zitten. Even later horen ze het fluitje van de conducteur en gaan de treindeuren dicht. De conducteur regelt dat de trein op tijd vertrekt. ‘Voel je dat’, roept Koos ‘de trein beweegt!’ ‘Jaaaa’, roepen Bas en Karlijn. Eerst rijdt de trein nog langzaam, maar dan gaat hij steeds sneller rijden. Als ze uit het raam kijken zien ze molens, koeien, meren, bruggen en auto’s; het is net of die voorbij vliegen. Af en toe stopt de trein bij een station, dan stappen er mensen in en uit.

Daar komt de conducteur hun treinstel binnen lopen; hij draagt een donkerblauw pak en een donkerblauwe pet. ‘Goeiemorgen vrienden,’ zegt hij tegen Koos, Bas en Karlijn. ‘Mag ik jullie kaartjes zien?’ De conducteur kijkt een beetje streng of de kaartjes wel kloppen. ‘Okidoki, prima in orde. Waar gaat de reis naartoe?’ vraagt de conducteur dan vriendelijk. ‘Naar de dierentuin!’ roepen Koos, Bas en Karlijn in koor. De conducteur lacht: ‘Zo zo, op bezoek bij de wilde dieren, dat is leuk. Maar niet stiekem de leeuwen en de tijgers loslaten, hè!’ Koos, Bas en Karlijn moeten lachen om de gekke conducteur. Natuurlijk doen ze dat niet, dat is toch gevaarlijk?

Eenmaal in de dierentuin gaan ze eerst wat drinken op het terras, ze hebben dorst. ‘Ik neem ranja,’ zegt Koos. ‘Ik ook’, zegt Bas. ‘Ik appelsap,’ zegt Karlijn. Om zich heen horen ze al enkele dierengeluiden: gebrul, gekrijs, gejank, geknor. Welke dieren zouden het zijn? Zijn jullie ook zo nieuwsgierig, jongens en meisjes? ‘Zullen we gaan kijken,’ vraagt Koos.

Als eerste zien ze de olifanten. Er is een jonkie bij de kudde. De vader en moeder beschermen hun baby-olifantje; ze gooien hun slurf in de lucht en trompetteren om het hardst. Weten jullie hoe dat klinkt, jongens en meisjes? Ja, heel goed, als een trompet. De dierenverzorger vraagt hoe je kan zien dat deze olifanten uit Afrika komen. Dat weten Koos, Bas en Karlijn niet, dus legt hij het uit: ‘Olifanten uit Afrika hebben grote oren en een holle rug. Olifanten uit Azië hebben kleine oren en een bolle rug.’

Ze lopen verder, naar de leeuwen. Die liggen te luieren in de schaduw. Af en toe geeuwt er een en af en toe brult er een. Wat een grote muil hebben leeuwen hè, jongens en meisjes? Bij de leeuwen vraagt de dierenverzorger wie het verschil weet tussen een mannetje en een vrouwtje. ‘Ja, dat weet ik,’ roept Koos, ‘mannetjes hebben manen en vrouwtjes niet.’ ‘Heel goed!’ zegt de dierenverzorger.

Tegenover de leeuwen leven de tijgers. De tijger is het lievelingsdier van Bas. ‘Tijgers zijn hele grote wilde katten. Ik vind hun strepen mooi.’ Karlijn vindt giraffen leuk: ‘Ze hebben van die mooie wimpers.’ Maar ze is vooral dol op apen. ‘Apen zijn grappig, ik moet altijd om ze lachen.’ Jullie ook, kinderen? In de dierentuin wonen een heleboel apen: chimpansees, orang-oetans, bavianen, gorilla’s. Sommige apen slingeren van boom naar boom, andere stoeien of rennen elkaar krijsend achterna en spelen tikkertje. Een paar jonge gorilla’s doen stoer en slaan zichzelf op de borst.

‘Hé dat kan ik ook,’ zegt Koos en terwijl hij de borstroffel nadoet roept hij ‘oeh-oeh-oeh!’ De apen kijken verrast naar Koos. Bas en Karlijn moeten heel erg lachen en doen ook mee. Jullie ook, jongens en meisjes? ‘Roffel-roffel. Oeh-oeh-oeh!’

Na de wilde dieren komen ze bij een groot zeeaquarium waar je doorheen kan lopen. Ze zien vissen met prachtige kleuren en strepen, vissen met stekels, zeepaardjes en ja zelfs haaien! Koos staat met zijn neus tegen het raam, nieuwsgierige vissen zwemmen naar hem toe. ‘Kijk, kijk, ze kussen me,’ roept Koos. Bas en Karlijn vinden het leuk en doen hetzelfde. Gauw pakt Koos zijn mobieltje en maakt een foto van de ‘zoenende’ haai.

Hè hè, ze hebben er honger van gekregen. ‘Zullen we frietjes gaan eten?’ vraagt Karlijn. ‘Ja lekker, in een puntzak!’ zegt Koos. ‘Met mayonaise,’ zegt Bas ‘en een ijsje op een stokje na.’ Lusten jullie ook graag friet en ijs, jongens en meisjes?

Na deze blije beestenboel gaan Koos, Bas en Karlijn weer met de trein terug naar huis. Ze zijn zo moe, onderweg vallen ze in slaap op het geluid van de wielen over de rails: kedeng kedeng, kedeng kedeng.

Tekst: Marjan de Kort – Méér dan Woorden

Download PDF